Presidenten
van Amerika: James Earl Carter

| Geboren: |
1 oktober 1924 |
| President: |
20 januari 1977 - 20 januari 1981 |
James Earl Carter, beter bekend als Jimmy Carter, was de 39e president
van de Verenigde Staten, van 1977 tot 1981. Hoewel hij veel diplomatieke
successen in het buitenland boekte, kelderde zijn populariteit door
economische problemen in het binnenland. Zijn presidentschap werd
destijds daarom niet als een succes beschouwd, maar die reputatie
heeft hij als diplomaat in de jaren erna behoorlijk hersteld.
Voor presidentschap
Jimmy Carter wordt geboren op 1 oktober 1924 in de staat Georgia,
als zoon van een succesvolle ondernemer. Jimmy kiest echter een ander
pad en studeert eerst af aan het Georgia Institute of Technology voordat
hij gaat studeren aan de US Naval Academy. Hij studeert af vlak na
het einde van de Tweede Wereldoorlog, om vanaf 1946 zeven jaar lang
carrière te maken bij de Marine. Vijf jaar lang werkt hij op
een onderzeeboot, maar het plan om officier te worden komt ten einde
als zijn vader in 1953 overlijdt. Daarop besluit Carter zich terug
te trekken uit de Marine en naar Georgia te gaan om het pindabedrijf
van zijn vader over te nemen.
Zodoende begint Carters politieke carrière alsnog in zijn geboortestaat.
Zijn eerste functie is lid van de onderwijscommissie, maar in 1962
wordt hij gekozen als Democratisch vertegenwoordiger in de senaat
van Georgia. Hij doet zelfs een gooi naar het gouverneurschap, maar
tot zijn grote teleurstelling slaagt hij er niet in de verkiezingen
in 1966 te winnen. Hij zoekt daarop zijn toevlucht in religie, en
vanaf dat moment zal Carter een overtuigd ‘born-again Baptist’
zijn. Hij sleept zich zo uit een depressie om in 1970 alsnog tot gouverneur
gekozen te worden. In die rol blijkt hij een groot tegenstander van
de rassenscheiding die dan nog in volle gang is. Hij maakt veel overheidsfuncties
in Georgia toegankelijk voor zwarte Amerikanen en vrouwen. Ook als
president zou hij voor het eerst minderheden toe laten treden tot
zijn ministerie.
De weg naar het Witte Huis
Als gouverneur valt Carter al snel landelijk in het vizier dankzij
de hervormingen van de lokale overheid en het overzichtelijker maken
van de bureaucratie. Zo belandt hij bijvoorbeeld op de cover van het
prestigieuze Time Magazine als symbool van goed leiderschap. De tijd
lijkt gekomen om deel te namen aan de verkiezingen voor de Democratische
presidentskandidaat, vlak voor het einde van zijn eerste gouverneurstermijn
in 1974. Het wordt een zware verkiezing voor Carter, die nog geen
nationale politieke achterban heeft opgebouwd. De vastberaden Carter
compenseert dat gebrek echter door onvermoeibaar campagne te voeren.
Ironisch wordt dat gebrek aan landelijke bekendheid juist een voordeel
als in 1974 het land geschokt wordt door de Watergate affaire. Het
machtsmisbruik van president Nixon leidt tot bezorgdheid over de grote
macht van de president en of de regering zoveel macht wel toevertrouwd
kan worden. Het geeft Carter de kans zich te profileren als een buitenstaander;
een man van het volk uit het verre Zuiden die niets met de immorele
praktijken van Washington te maken heeft en orde op zaken zal stellen.
Carter wint het Democratische presidentskandidaatschap in juli 1976,
waarna hij in de verkiezingen tegenover de Republikein Gerald Ford
komt te staan, die vanaf 1974 in de plaats was gekomen voor de afgetreden
president Nixon. Het wordt een zeer spannende verkiezing, die volgens
velen door Carter nipt gewonnen wordt doordat Ford blunderde in een
tv-debat en ontkende dat Oost-Europa door de Sovjet-Unie werd gedomineerd.
Hoe dan ook wint Carter slechts met 51 procent van de landelijke stemmen.
Tijdens presidentschap
Zijn presidentschap
Vanaf het begin van zijn presidentschap profileert Carter zich als
een man van het volk. Hij is treedt zeer vaak op in de media, kleedt
zich informeel en spreekt in duidelijke woorden. Zo wil hij er alles
aan doen om het imago van een elitair en zelfingenomen Washington
te verbeteren. Qua beleid richt hij zich op vele ambitieuze hervormingen
op het gebied van economie en sociale verzekeringen. Veel plannen
blijken te hoog gegrepen, want ondanks een Democratische meerderheid
in beide kamers van de wetgevende macht, stuit hij op weerstand. Ook
het Congress heeft namelijk geleerd van de Watergate affaire, en wil
zich voortaan kritischer opstellen tegen de macht van de president.
Carter probeert het gebrek aan steun van de wetgevende macht te compenseren
door zich direct naar het Amerikaanse volk te wenden en zo steun voor
zijn plannen te winnen. Het is echter tevergeefs: tijdens zijn periode
in het Witte Huis kijken de kiezers vooral naar resultaten. Carter
slaagt er nauwelijks in zijn plannen werkelijkheid te laten worden
en ziet zijn populariteit snel dalen. Daar komen nog twee schandalen
bij rond Carters vertrouwelingen en medewerkers, die beschuldigd worden
van fraude en van nauwe banden met de Libische dictator Muammar Gaddafi.
Buitenlandse successen
Carter scoort wel enkele successen in zijn buitenlandse politiek.
De idealist kreeg vaak het verwijt dat hij te naïef was in zijn
buitenlandse betrekkingen, maar juist met zijn pragmatische politieke
beleid boekt hij veel concrete resultaten. In 1977 weet hij twee verdragen
met Panama te sluiten waarin wordt vastgelegd dat de VS vanaf 1999
het Panamakanaal zullen beheersen. Zijn bemiddelingen tussen Iran
en Israël leiden ertoe dat beide landen in 1978 de formele staat
van oorlog beëindigen, die sinds de stichting van Israël
in 1948 gaande was. Andere successen zijn het vestigen van diplomatieke
banden tussen de VS en China in 1979 en het afsluiten van het SALT
II verdrag met de Sovjet-Unie, waarmee beide kernmachten hun nucleaire
wapenwedloop proberen te reguleren.
De vele successen die de VS op het internationale terrein boeken,
worden echter al snel teniet gedaan door andere problemen. Het binnenlandse
economische beleid van Carter stuit op protest onder de bevolking.
Gedurende zijn presidentschap blijft de inflatie maar stijgen, tot
een hoogte van 12 procent in 1980, met een eveneens hoge werkloosheid.
De economische malaise wordt vooral veroorzaakt door de energiecrisis
die vanaf 1970 gaande is, als gevolg van Amerika’s afhankelijkheid
van buitenlandse olie. Zowel consumenten als het bedrijfsleven wijzen
echter Carters economische beleid aan als de oorzaak. Ook enkele crises
op het internationale terrein stellen de president in een kwaad daglicht.
De grootste was de bezetting van de Amerikaanse Ambassade in Teheran
door een groep radicale studenten, op 4 november 1979. Terwijl het
Amerikaanse personeel in gijzeling wordt gehouden, onderhandelt de
Amerikaanse overheid met die van Iran (die de gijzeling overigens
veroordeelt) in de hoop de gijzeling te beëindigen zonder de
relaties tussen beide landen te beschadigen. Het Amerikaanse volk
rekent het Carter echter zwaar aan dat hij er niet in slaagt de gijzelaars
vrij te krijgen. Dat een geheime reddingsoperatie via de lucht binnen
enkele uren eindigt met een crash in de woestijn, draagt evenmin bij
aan een daadkrachtig imago.
Tegen het einde van zijn eerste presidentstermijn heeft Carter als
gevolg veel van zijn oorspronkelijke vertrouwen en populariteit verspeeld.
Vooral zijn gebrek aan politieke ervaring leidt ertoe dat hij gezien
wordt als besluiteloos; iemand die snel terugkrabbelt als zijn plannen
onder vuur komen te liggen en een grote weerzin heeft om zijn krachten
te bundelen met politieke medestanders. Hij probeert de schade te
beperken in 1979 met een landelijke tv-speech, waarin hij spreekt
over een ‘geestelijke crisis’ in het land en het volk
oproept hun hoge verwachtingen bij te stellen. Het Amerikaanse volk
heeft er inmiddels weinig boodschap aan en beschouwt Carter ongeschikt
als leider.
Na presidentschap
In ere hersteld
Desondanks weet Carter de Democratische kandidatuur voor een tweede
termijn veilig te stellen, maar in de daadwerkelijke presidentsverkiezingen
van 1980 leidt hij een overweldigende nederlaag. Carter is geen partij
voor zijn charismatische tegenstander: de Republikeinse ex-acteur
Ronald Reagan. Extra pijnlijk is dat de Amerikaanse gijzelaars in
Teheran één dag na Reagans inauguratie worden vrijgelaten,
waarna de nieuwe president Carter uitnodigt om hen persoonlijk te
ontmoeten in Duitsland.
Na zijn presidentschap keert Carter terug naar zijn geboortedorp,
samen met zijn vrouw Rosalynn, die als ‘ first lady’ een
belangrijke rol speelde als adviseur. Daarna blijft hij echter politiek
actief, vooral als diplomaat die bij verschillende internationale
conflicten wordt ingezet. Zo bemiddelt hij in geschillen met Panama,
Nicaragua en Ethiopië, maar realiseert hij ook een staakt-het-vuren
tussen Bosnische Serviërs en moslims. Deze successen doen veel
goeds voor zijn reputatie, die inmiddels veel positiever is dan tijdens
(en vlak na) zijn jaren als president. Carter heeft tevens de Nobelprijs
voor de Vrede gewonnen vanwege zijn inspanningen voor het vinden van
vreedzame oplossingen in internationale conflicten en de promotie
van democratie en mensenrechten. Ook ontwikkelt hij zich tot een invloedrijk
schrijver, voornamelijk over de conflicten in het Midden-Oosten. Het
gevolg is dat het beeld van Carter nu vele malen positiever is dan
vlak na zijn presidentschap en hij gerekend kan worden tot een van
de populairdere ex-presidenten van de VS.